Toen begon het vreselijk te regenen. Bakken water kwamen uit de hemel. Ook uit de grond kwam er water naar boven. Alle mensen schrokken vreselijk. Maar niemand had een boot gebouwd. Alleen No-ach. Dus de enige die gered werd, was No-ach. En gelukkig ook alle dieren.
Het regende zo erg dat de hele wereld onder water stond. Zelfs de hoogste berg stond onder water. Toen de regen ophield, maakte No-ach een raam open in zijn Ark. Hij keek alle kanten op, maar zag alleen maar water. Gelukkig droogde de aarde langzaam op.
No-ach stuurde eerst een zwarte vogel weg, een raaf. Maar die kwam terug, want de raaf kon geen droog stuk land en geen boom vinden. Later stuurde No-ach een duif weg. De duif kwam terug met een takje in zijn bek. Nu wist No-ach dat er weer bomen waren op de aarde.
Weet je nog, in de vorige parasja? Toen maakte Hasjeem de bomen. Nu zoekt de duif er één.
